Selecteer een pagina

“Ik vind het een kippenvelmoment als je ziet waar leerlingen mee komen.” Sarah

door | nov 8, 2022 | Interview | 0 Reacties

Sarah is docent beeldende kunst en heeft hierin ruim 30 jaar ervaring. Zij heeft in de loop van haar carrière lesgegeven op verschillende scholen en op verschillende niveaus, zowel in beeldende kunst als in kunst algemeen. Momenteel geeft ze hoofdzakelijk les aan de bovenbouw havo/vwo. In dit interview legt ze haar visie op de kunstvakken uit.

Hoi Sarah, tijdens onze gesprekken heb jij het vaker gehad over de waarde van divergent denken binnen de kunstvakken. Zou je iets meer kunnen vertellen over jouw lessen en opdrachten?
Toen ik net bij deze school kwam aangevlogen lag er veel focus op het gericht ontwikkelen van ambachtelijke kwaliteiten. Ik noem dit altijd het alfabet. Dit zag je ook terug in de resultaten van de leerlingen, die waren heel universeel. Je zag vooral verschillende varianten van hetzelfde doordat de opdrachten heel strak waren afgekaderd. Je zag dus ook een groot verschil in kwaliteit tussen leerlingen die aanleg voor het vakken hadden en welke niet.
In de loop van de jaren begon ik toch wel echt de eigenheid in de oplossingen van de leerlingen te missen. Want als je een opdracht zo strak afkadert dan kun je je leerlingen ook belemmeren.
In de loop der tijd is daar ook wel verandering in gekomen. We bouwen onze opdrachten nu anders op en met name oriëntatie en onderzoek vind ik heel belangrijk. Binnen de oriëntatie is het belangrijk om te weten waar we het over hebben en om dan referenties te zoeken naar bekende kunstenaars. Vervolgens ga je al vrij snel het beeldend onderzoek in, dat laat ik soms ook naast elkaar bestaan omdat elke leerling een eigen manier heeft van onderzoek doen.
Dat het onderzoek belangrijk is zie je ook terug in het examenprogramma van vmbo-t bij ons op school. Hierin staat echt het proces centraal.
Ik vind het belangrijk dat leerlingen tijdens het oriënteren en onderzoeken over hun eerste idee heenstappen. Soms vinden ze hun eerste idee dan toch niet zo goed, met name vwo-leerlingen, ze vinden dan dat ze te anekdotisch werken. Dan ga je een stap verder en gaan ze ook de reflectie in, en dat is divergent denken.

 

Wat ik ook wel eens doe is leerlingen die rechtshandig zijn met hun linkerhand laten tekenen. Op die manier stappen ze uit hun comfortzone. Dat kan soms onveilig aanvoelen voor de leerlingen, daarom is het belangrijk dat je een veilig leerklimaat in je klas weet te creëren. Het is belangrijk om leerlingen mee te geven dat fouten maken mag. Want dan durven leerlingen zich ook kwetsbaar op te stellen.
En dit soort dingen kosten tijd.

Denk je dat die tijd er is op het voortgezet onderwijs? En merk je hier ook iets van bij de leerlingen?
Tijd is altijd een ding op het voortgezet onderwijs. Je moet het programma inrichten met de tijd die je krijgt.
Ik merk ook wel dat leerlingen soms afgeleid zijn door de hoeveelheid vakken die ze hebben. Dat ze bij mij in de les komen en dan nog met hun hoofd in de vorige les zijn of al bij een toets voor het uur erna. Jammer genoeg geven ouders ook wel eens het advies om minder tijd aan kunst te besteden en meer tijd aan kernvakken. Dat vind ik erg jammer.
Wat ik dus altijd probeer te doen is om de contacttijd die er is zo goed mogelijk te besteden en dan vooral leerlingen te stimuleren om te experimenteren. Continuïteit is daar heel belangrijk in, als dat er niet is is het heel lastig om het proces gaande te houden.
Je ziet ook echt verschil in groepen die meer of minder les hebben door wat voor omstandigheden dan ook. Als ze meer lessen hebben zijn ze veel enthousiaster.

“Creativiteit komt niet alleen in de kunstvakken voor.”

Ik merk zelf dat leerlingen vaak juist heel eindproduct gericht zijn. Hoe ga jij hiermee om in jouw lessen?
Ik probeer leerlingen altijd te laten inzien dat hun eerste idee niet per sé het beste idee is en dat als ze iets nog nooit hebben gemaakt het ze waarschijnlijk de eerste keer ook niet gaat lukken. Dat klinkt misschien heel hard, maar dat is wel zo. Als je voor het eerst een nieuwe formule bij wiskunde leert dan lukt het ook niet meteen de eerste keer om die goed toe te passen. Dus waarom zou jij wel meteen een Rembrandtiaans schilderij kunnen maken als je zoiets nog nooit eerder hebt geprobeerd?
Om iets te kunnen moet je gewoon oefenen. Ik geef leerlingen altijd mee dat het eerste idee nooit het beste idee is en zeg dat dat misschien in 1% van de gevallen wel zo is. En misschien horen zij wel bij die 1%, dat kan, maar daar kom je pas achter als je eerst ook nog andere schetsen hebt gemaakt en ideeën hebt bedacht. Als dan blijk dat het eerste idee het beste is dan kunnen ze mij daarvan proberen te overtuigen.
Die 1% heb ik overigens volledig uit mijn duim gezogen, maar het werkt wel.

 

Denk je dat vakoverstijgend onderwijs meer de standaard zou moeten zijn?
Ja, dat denk ik wel. Ik denk ook dat je als docent soms meer een coach moet zijn omdat dat goed is voor het creatieve brein. Nu wordt er nog heel veel gesproken over alfa en bèta. Maar hoe mooi is het dat je leerlingen ook op andere vlakken weet aan te spreken? Als een leerling bijvoorbeeld heel goed is in wis- en natuurkunde, dan kan hij of zij heel goed de spanning van een brug uitrekenen bijvoorbeeld. Als je zo’n leerling laat samenwerken met een leerling die juist veel materiaalkennis heeft of veel ideeën heeft dan kan dat elkaar alleen maar versterken. Dat zou heel gaaf zijn als dat in die groep van 12-19 ontstaat, omdat er dan ook meer begrip voor elkaar ontstaat.
Ik haal ook wel eens Daan Roosegaarde aan om te laten zien hoe goed wetenschap en kunst samen kunnen werken.

Hoe bouw jij jouw lessen op? Je hebt bijvoorbeeld verschil in opdrachten door je meer te focussen op problem finding of juist op problem solving; heb jij hier een voorkeur in?
Ik doe denk ik allebei in een opgaande lijn voor de leerlingen. Ik merk dat ik leerlingen niet onderuit wil zien gaan en mijn opdrachten afstem op de doelgroep die ik voor mij heb. Je moet leerlingen ook een beetje beschermen. Voor sommige leerlingen werken opdrachten over toegepaste kunst veel beter dan een heel autonome opdracht, juist omdat die wat meer afgebakend is. En dat is niet alleen omdat het veilig is, maar ook omdat hun hoofden nou eenmaal zo werken.
Ik vind het geweldig als ik een eigenheid van oplossingen zie. Ik vind het kippenvel momenten als je ziet waar leerlingen mee komen. Als ik de eindwerken zie dan zijn die vaak zo divers wat betreft concept en uitvoering. Ik vind wel dat ze alle kanten op mogen binnen de kaders die we op school te bieden hebben.
Ik laat leerlingen vrij maar stuur stiekem toch ook wel. Vooral in de haalbaarheid. Want er zijn leerlingen die zichzelf totaal overschatten en die moeten dan wel aan het eind van de periode een eindwerk hebben omdat we nou eenmaal in zo’n systeem zitten.

Wat zijn manieren waarop jij leerlingen uit hun comfortzone trekt en waarom doe je dat?
Om eigenheid te kunnen bewerkstelligen. Om ze uit hun keurslijf te halen. Om procesmatig te denken en niet zozeer aan dat wat ze al om zich heen hebben en zien. En de manier waarop is soms in kleine stapjes afhankelijk van wie je voor je hebt. Soms kun je leerlingen op het verkeerde been zetten zonder dat ze in paniek raken.

 

 Dan merk je dat dat denkproces van die leerling doorgaat. Je brengt ze in verwarring, maar tegelijkertijd gaat er een luikje open. Want je ziet dan geen voorspelbare uitwerking. En voor ons dat helemaal niet nieuw meer, maar voor hen wel. Leerlingen worden tegenwoordig overspoeld met voorbeelden, en niet allemaal van professioneel kunstenaars. Ze moeten ook leren om werk in de context te plaatsen. En in eerste instantie vinden ze Karel Appel misschien kinderachtig en willen ze juist heel figuratief en zo realistisch mogelijk werken. En soms zitten ze in die fase dat dat voor hen heel belangrijk is. En om hen dan ook die andere kant te laten zien vind ik de uitdaging omdat dat ook hun eigen hele wereld verreikt.
Soms willen leerlingen alleen een aai over de bol en soms gaan ze zelf zien waardoor ze een stap verder komen.Ik probeer ook wel altijd een variëteit op te bouwen in opdrachten tussen autonoom en toegepast. Zo kunnen ze zien dat allebei een andere tak van sport is.  Op die manier kun je ze ook na laten denken over wat het bijzonder maakt. Bij het vmbo kan dat goed met het programma Tussen Kunst en Kitsch. Of je laat bij de World Press Photo het verschil zien tussen de vakjury en de publieksjury.
Hoe meer je uit de comfortzone treedt hoe onbegrijpelijker het soms wordt voor het mainstream publiek. Dus het heeft met zelfvertrouwen te maken om je daar niks van aan te trekken en daar buiten te treden.

“Soms kun je leerlingen op het verkeerde been zetten, zonder ze in paniek te laten raken.”

Als je alles kon doen wat je wilde wat zou voor jou dan de ideale opdracht zijn?
Het zou sowieso vakoverstijgend zijn en geen individuele opdracht. Een opdracht waarin leerlingen een thema kunnen kiezen en daarin zelf de ruimte krijgt om op zoek te gaan naar de mogelijkheden om het vorm te geven. En het thema ook vanuit verschillende invalshoeken leren te bekijken. Misschien zelfs buiten de muren van de school. Het leren van en aan elkaar vind ik heel belangrijk, dan kun je gebruik maken van elkaar kwaliteiten. En die ook accepteren van elkaar. Maar ook om te leren er samen uit te komen als je andere ideeën hebt.

Wanneer is een opdracht voor jou geslaagd?
Je hebt iets in je hoofd en dat is niet zomaar vrijblijvend het moet in het kader van de examenstof. Je weet nog niet hoe dat uitpakt. Gaandeweg zie jij hoe vast je moet zitten aan die opdracht. En dan zie je waar je ze los moet laten en waar niet, wat wel werkt en wat niet. Als dat op een gegeven moment samenkomt en je ziet dat er wat gebeurt in hun dummy’s en koppies. En je ziet dat ze ruimte hebben en van de gebaande paden af willen gaan. 

En ze hebben een reëel idee van wat ze gaan maken en als daar dan een werk uitkomt waar ze een verhaal mee vertellen die raakt aan de opdracht en die eigenzinnig is en oorspronkelijk en binnen de context past. En als dat geldt voor het merendeel van de klas, en de leerlingen zijn enthousiast. Als er ruimte is voor leerlingen om mee te gaan stoeien. En je ziet het ook aan het einde in de reflectie. En aan de hand daarvan kies je of je de opdracht nog een keer uitvoert of niet of dat je hem aan wil passen.
Je moet jezelf ook scherp houden door in gesprek te blijven met je collega’s. Je gaat ook na of je je doel hebt behaald en dit bespreek je ook met je leerlingen.

Gerelateerde artikelen